GENTS WOORDENBOEK
GENTS WOORDENBOEK
Werekîere: http://www.sosseteit.gent/Gents_Woordenboek.html
Van ‘r’ naar ‘l’
Als tweede kenmerk noemt hij de vervanging van “r” door “l” in bepaalde woorden. Zo heeft men het bvb. over de Neelkaater (Neerkaater of Nederkouter). Dit is een bekend fenomeen onder taalkundigen, wanneer er in een woord twee “r”-en voorkomen, dat één ervan vervangen wordt door een “l”. Nen directeur wordt dan dilecteur. Een bekend Gents voorbeeld was de Kolianderstroate (Korianderstraat).
Een derde kenmerk is de verkeerde uitspraak van vreemde woorden. Hij geeft daar enkele plezante voorbeelden van: centifikoat (certifikaat), een pierlaflette (pirouette), “nen azuustek” (architect), nen alvekoat (advocaat), en als je aan het kaarten bent: “nen alvendans” (abondance) en een mooi geval dat in zijn woordenboek te vinden is: “Hij hee een schuune fiezelemiene (fysionomie)
Het zgn. ‘Fabrieksgents’
In de inleiding van zijn woordenboek schrijft hij dat ongeveer 1/5 van de bevolking in de textielneiverheid werkte en dat waren niet noodzakelijk volwassenen. Die mekanieken maakten zo’n oorverdovend lawaai dat de arbeiders moesten schreeuwen tegen mekaar, sterk moesten artikuleren, trager en slepender moesten spreken bijna moesten liplezen en dat leverde twee belangrijke kenmerken op van het Fabrieksgents.
Rekken van de klinkers
Als je in Gent zat bent, dan ben je “zàààt”. Alle klinkers worden er langer uitgesproken dan normaal. De verscherping van de medeklinkers “v”, “z” en “g” naar “f”, “s” en “ch”.van v > f: mijn foadere (vader), ‘t es fiere (vier), ‘t es fijve (vijf), een foaze(vaas)van z > s: sekers (zeker), sevene (zeven), siemlap (zeemlap)van g > ch: chintere (ginder), cheere (graag)
Het Fabrieksgents kwam tot volle bloei omstreeks 1830 maar omstreeks 1880 was dat door de verbeterde mekanieken in de fabrieken, ook door avond- en zondagsscholen voor de arbeiders reeds zeer verbeterd en was dat Fabrieksgents al bijna op sterven na dood. We hebben het nu over meer dan een eeuw geleden. Laat staan dat het nu nog zou leven. In het woordenboek vind je daar nog enkele restanten van: . “‘k Sit mee een fieskesuure.” (een vies oor). De uitroep “vlug, vlug!” in het Frans wordt: “Fiet, fiet! Een snee brood gebrekkig afsnijden - wij zeggen “viggelen” - wordt “fikkelen”, ne fievelamoer (> Fr. vive l’ amour: oorveeg), “surkel” (zurkel), enz. In het ”Nederduits Dialecticon” (1874) van dr. Winkler uit Friesland, wordt J.G.D. Minnaert, “hoofdonderwijzer in de wijk van de Nieuwe Brug te Gent” in het Nieuwbrugs geciteerd. Winkler had het lumineus idee om de parabel van de verloren zoon in alle dialecten van Nederland en Vlaanderen te laten vertalen en te verzamelen. Voor elke plaats is er doorgaans een inleiding voorzien met wat uitleg over het lokale dialect. Voor Gent is deze inleiding van de hand van Minnaert. Zijn stelling is: er zijn twee soorten Gents: het Burgergents dat gemiddeld in het centrum gesproken wordt en het ”Nieuwbrigs” dat het platte arbeidersdialect is van die periode, dat trager en veel luider uitgesproken wordt. Dat luid praten wordt door Oscar De Gruyter bevestigd. Hij hanteert terzelfdertijd een geografisch criterium: aan de Nieuwbrug, in die wijk. Er is natuurlijk ook een sociaal criterium: het is de wijk van de laagste bevolkingsklasse van die tijd samenwoonde. Er wordt eveneens op de “î”-uitspraak van de “u” gewezen.
Voor nieuwe taalgetuigenissen van het oudere Gents moeten we wachten tot het begin van de vorige eeuw wanneer De Koninklijke Akademie voor Nederlandse Taal en Letterkunde van Jan Bouchery een boekje publiceert over De Klankleer van het Gents waaruit we niet zoveel nieuws bijleren. Ook hij houdt het op twee soorten Gents: Burgergents en Platgents met zijn “u” naar “î” verandering. Veruit het interessantste werk is dat van Oscar De Gruyter. Geografisch heb je twee soorten Gents: dat van het stadscentrum en het Gents van de periferie en de kolonies in Ledeberg en Gentbrugge. Wat was er ondertussen gebeurd? De gehele Nieuwbrugwijk is gesaneerd geweest, t.t.z. de arbeiders zijn naar de 19e eeuwse gordel verdreven, een beetje te vergelijken met de mensen van de Muide die enkele decennia terug naar Nieuw Gent achter het A.Z verhuisd zijn. Zo had je ook een exodus van de arbeiderswijken uit het centrum. Sociaal bekeken zijn er inderdaad maar twee soorten Gents nl. Burgergents en Platgents.
“Men mag zeggen dat alle Vlamingen doorgaans vrij luid spreken. Althans veel luider dan de Hollanders (Het is nu eerder omgekeerd!). De platte Gentenaars nu, drijven deze eigenaardigheid tot het uiterste. Het kost volstrekt geen moeite een gesprek tussen twee Gentse fabriekswerkers te volgen van de overzijde van de straat. Door het feit dat ze hun klanken met zo’n ongehoorde intensiteit uitschreeuwen, zijn ze geneigd hun klinkers te rekken. Hierdoor krijgen overgangsklanken dikwijls te veel en een te grote waarde, zodat voortdurend diftongen en zelfs drieklanken ontstaan waar ze in het Burgergents niet voorkomen.”
Hiermee bedoelt men dat woorden met een “ie” bvb. in het Burgergents “Diepe” in het Platgents “diéepe” wordt. Hetzelfde is er aan de hand met de “ee in “beke” wat dan “bééeke” wordt. En zegt hij:
”Vreemd is het dat de burger het uitspreken van woorden als ”dinne, migge, brigge”, enz. als onfeilbaar teken van een mindere afkomst aanziet.
Een onfeilbaar herkenningsteken is dat allerminst. Deze uitspraak was immers de algemeen gebruikte en zelfs nu nog kan men in de mond van het andere geslacht, ook bij de gegoede burgers de “i” voor “u” nog dikwijls horen.
Dat is toch wel een ander geluid dan wat je leest bij Lievevrouw-Coopman en bij anderen die zich over dat oudere Gents uitgelaten hebben.
Nog een citaat:
”Behalve door de uitspraak onderscheiden zich de twee tongvallen - Burgergents en Arbeidersgents - ook zeer door de woordenschat. Zo is bij de burgers, vooral bij de jongeren, het gebruik van Franse woorden werkelijk een misbruik. Het duurt dikwijls een hele poos voor men goed weet welke taal ze eigenlijk spreken: Vlaams of Frans”
Er is ook een groot verschil tussen mannen en vrouwen:
”Bij de lagere klasse zien we dat de vrouwen het platst spreken en bij de hogere klasse dat de vrouwen geaffecteerder spreken dan de mannen.”
Hij heeft bij een groot aantal Gentenaars onderzocht welke “r” zij gebruiken en hij komt tot de vaststelling dat de rollende “r” in opmars is. en vooral gebruikt wordt door de jongeren in de hogere klasse. Het zijn vooral de jonge vrouwen die de rollende “r” uit het Frans overnemen. Deze uitspraak heeft zich in een tijdspanne van 3/4 eeuw kunnen opwerpen als hét kenmerk van het Gents, wat bewijst hoe levenskrachtig een dialect in een grote stad als Gent kan zijn. Bewijs daarvan is dat het in de twintigste eeuw nog heel duidelijk een aantal evoluties gekend heeft, in die zin, dat er een aantal oude kenmerken zoals de “î” van “brîgge” uit verdwenen zijn. En hij gaat verder:
”Door de vroegere taal van het volk niet te hebben begrepen, door onzinnige jachtmakerij op zekere woorden en gezegden, onder voorwendsel dat zij strijdig waren tegen de deftigheid en de kiesheid, heeft men tal van juiste en gepaste uitdrukkingen onder de minachting van een groot deel van de bevolking begraven”.
Deze uitspraak bewijst dat de man een goede visie had op de loop der dingen. Ik geef nu graag het woord aan mevr De Vos die het zal hebben over het woordenboek. Ik dank u.
Ontwerp papierwikkel van de uitgave 1974 door Gill. Van Geert
Geen helpende hand
Vraag is hoe het in Godsnaam komt dat Lievevrouw in die omstandigheden de weg niet gevonden heeft naar de universiteit in zijn eigen stad, waar nota bene sinds 1925 twee eminente dialectologen werkzaam waren: prof. Blanckaert, die zelf bezig was in het kader van zijn levenswerk, de Vlaamse dialectatlassen en dan was er nog prof. Vercoulli. Die twee professoren waren lid van de Akademie die zijn werk hadden bekroond. Het kan dus anders niet of zij waren op de hoogte van de waarde en de omvang van dat werk en ongetwijfeld ook van de problemen die Lievevrouw had.
Dat gebrek aan communicatie is verbazend. We moeten natuurlijk bedenken dat Lievevrouw een zeer bescheiden man was. Het lag dus waarschijnlijk niet in zijn aard om stappen te ondernemen naar de wetenschappelijke wereld. Bepaalde bronnen getuigen dat hij zijn gemis aan wetenschappelijke vorming zeer scherp aanvoelde en dat juist dat hem een grote schroomvalligheid bezorgde ten opzichte van de universitaire wereld.
Prof. René Apers, voormalig hoofdbibliothecatis van de Universiteit Gent, die nog tijdgenoten van Lievevrouw heeft kunnen ondervragen, heeft het volgende verklaard aan dhr. Roeland Van Laethem, die een licenciaatsverhandeling schreef over L. L. - Coopman:
”Wat het woordenboek betreft hield hij alles en iedereen op afstand. Zijn nota’s schreef hij op kleine fiches of op stukjes papier. Op de vraag of hij wel een bepaalde methode had, antwoordde hij altijd bevestigend, maar zijn werkwijze, zijn systeem van aantekenen en klasseren, schenen toch niet zo doeltreffend te zijn, want zijn materiaal deinde uit tot een massa, waaronder hij bedolven werd. Louis voelde zijn wetenschappelijk tekort aan en was daarom altijd terughoudend tegenover een wetenschappelijk gevormd iemand.”
Hoe komt het dan dat er van de andere kant geen stappen zijn gezet? Waarom zijn die geleerden niet naar L. Lievevrouw toegegaan? In de eindfase is die communicatie dan toch tot stand gekomen. Toen het zover was dat de Kopie ongeveer naar de drukker kon, ontbrak er nog een inleiding op de Gentse klankleer. Lodewijk die in 1945 83 jaar geworden was, achtte zich niet meer in staat om dat te doen. Waarschijnlijk heeft prof. Blanckaert toen het initiatief genomen om hem daarbij te helpen en ook om mevr. Cécile Tavernier-Vereecken daarbij te betrekken. Uiteindelijk is zij het , die de inleiding geschreven heeft. Het is medeondertekend door prof. Blanckaert en die twee taalkundigen worden uitvoerig bedankt door Lievevrouw in zijn inleiding.
Een tweede vraag is hoe het komt dat Lievevrouw geen beroep heeft gedaan op zijn jongere vriend Oscar De Gruyter? Hij was toch een gevormd en briljant taalkundige... Een mogelijkheid is dat hij omstreeks de periode 1911-1914 absoluut nog geen vast omlijnd plan had om al dat materiaal uit te geven. Een andere mogelijkheid ligt dan weer dichter bij de getuigenis van prof. Apers en dat is dat hij zijn werk echt als een privéonderneming beschouwde die hij in alle stilte wou voortzetten en waarmee hij niemand wou en durfde lastig vallen. De Gruyter werd in 1914 opgeroepen naar het front en na de oorlog is het contact met Lievevrouw nooit zo intens meer geweest, te meer daar hij in 1922 directeur geworden is van de Antwerpse schouwburg en in 1929 al op 44-jarige leeftijd stierf.
Door al deze perikelen gaat het woordenboek maar in 1949 naar drukkerij Erasmus te Ledeberg (Gent). Toen Lievevrouw op 8 oktober 1951 op 89-jarige leeftijd aan een hartcrisis bezweek waren er nog maar 7 van de 12 afleveringen gedrukt. Hij heeft het uiteindelijke resultaat van zijn levenswerk niet mogen aanschouwen.
Aan de lange bewerkingsperiode van het woordenboek zijn ook positieve aspecten. Dank zij het vele verbeteren, aanvullen en herwerken is er een leesbaar woordenboek artikel te voorschijn gekomen, zowel voor de dialectliefhebber als de wetenschapper. Lievevrouw was iemand die behept was met de onstuitbare drang om altijd maar extra zaken op te tekenen en toe te voegen en hij heeft dat gedaan tot op de eigenste dag in 1949 dat zijn werk naar de drukker moest. Die ochtend heeft hij er vlug-vlug nog enkele fiches bijgestopt. Het gevolg is dat wij nu beschikken over een goudmijn aan gegevens over de Gentse volkstaal en het Gentse volksleven.
Moderne lexicografie
Is het woordenboek van Lodewijk Lievevrouw - Coopman en bij uitbreiding alle andere dialectwoordenboeken, zijn die niet verouderd? Zijn zij nog aktueel? Waarom wordt er immers aan de Gentse universiteit door een groep wetenschappers gewerkt aan een nieuw Vlaams dialectwoordenboek waarin ook het Gents een plaats heeft? Waarom doet men dat als al die oude woordenboeken toch zo goed zijn?
De gebruikswaarde van een dialectwoordenboek vermindert niet naar gelang er meer en meer woorden instaan die men nu niet meer gebruikt. Dialectwoordenboeken zijn per definitie historisch omdat het stuk traditioneel dialect dat zij beschrijven zelf al voor een stuk geschiedenis is geworden. Van waar het succes van de twee herdrukken van het Gents Woordenboek met de mooie tekeningen van wijlen Gill. van Geert? Omdat de mensen beseffen dat het dialect op een keerpunt staat en zij waarderen in dit woordenboek vooral de museumfunctie. Men gebruikt dat woordenboek niet als de Dikke van Daele om het goede woord of voorschriften voor goed taalgebruik te vinden. Je hebt ergens een lang vergeten woord gehoord en je zegt: Ah, maar dat is echt Gents. We gaan eens kijken of dat in Lieverouw Coopman staat en als dat zo is, dan ben je als dialectliefhebber blij. Het verdwijnt misschien wel, maar het zal altijd bewaard blijven in het taalmuseum van Lievevrouw - Coopman. Dat is de belangrijkste reden waarom gewone dialectliefhebbers in het woordenboek kijken.
Hedendaagse wetenschappers zijn vooral geïnteresseerd in de mondeling overgeleverde taallaag die toen nog niet onder de verpletterende invloed van het Algemeen Nederlands stond. Van uit taalwetenschappelijk oogpunt zijn zij natuurlijk wel verouderd. Wie met wetenschappelijke doeleinden een woordenboek schrijft, doet dat systematisch. Men gaat niet zo maar her en der woorden optekenen. Dat is niet de methode van de wetenschappelijke lexicografie, zoals men de leer van het woordenboekschrijven noemt. (Wie daarin geïnteresseerd is, leest “Handboek voor de amateur lexicograaf” van de hand van ons lid prof. dr. Jacques Vankeymeulen). Je gaat uit van de vraag: “Waarvoor gebruiken mensen (dialect)woorden? Dat veronderstelt dat je dialect opvraagt, uitgaande van een vooraf opgezet plan waarin je de hele werkelijkheid, de hele leefwereld van mensen indeelt in rubrieken: gevoelsleven, voeding, kleding, ziekte, jeugd, ouderdom, het huis, beroepen, volksleven, enz. Voor elk van die rubrieken stel je vragenlijsten op. Dat is wat wij doen met ons huidig woordenboekproject. De meeste oudere lexicografen zijn niet op die manier te werk gegaan.
De meest dringende taak voor mensen die met het dialect begaan zijn, is het aanvullen van de leemten die de oude woordenboeken gelaten hebben. Dat is zeer verdienstelijk. Iedereen die daaran meewerkt brengt toch een mooi eerbetoon aan onze oudere woordenboekschrijvers, want waarmee zouden we ze meer plezier kunnen doen dan met het aanvullen van hun werk?
Ik dank u.
Prezedent eigenaar van graf Lodewijk Lievevrouw - Coopman
Eerste druk 1950, Deel 1 van 12 , A-B
Steekkaart administratie Westerbegraafplaats Gent
Prezedent Eddy Levis bij het gerestaureerde graf (1997)
Herdacht
Op zondag 23 november 1997 om 11 uur werd in aanwezigheid van de pers aan het gerestaureerde graf de gedenkplaat onthuld door toenmalig burgemeester Frank Beke en was er in de ontvangsthall van het poortgebouw een bescheiden tentoonstelling rond het werk van Lievevrouw. De stad liet op het graf een paar jaar geleden een plaketje met “beschermd” aanbrengen. Wie het graf wil bekijken kan dit in het voorste oudste gedeelte bij het binnenkomen van de Westerbegraafplaats aan de linkerkant, kelder 1175. (info op het infobureau ter plaatse)
1997: Burgemeeser Frank Beke en prezedent Eddy Levis onhullen het gerestaureerde graf
Plaatjes 'BESCHERMD' en herinneringsplaket.
Artikel uit 'Het Laatste Nieuws' van 24-25/8/ 1974 door journalist Piet Korrel (ons Handje Michel Casteels van 1988)
DIGITALISATIE VAN HET GENTS WOORDENBOEK VAN LODEWIJK LIEVEVROUW-COOPMAN
Tien leden van de Gentse Sosseteit werken mee aan de digitalisatie van het Gents Woordenboek. De bedoeling is dat het woordenboek op de computer raadpleegbaar is, niet in .pdf maar in Word (.doc), zodat het kan gedownload en bewerkt worden. Zo'n deeltje van het woordenboek ziet er dan zo uit :
VURTACHTIG. bn. Rotachtig : —e petaters.
*VURTEKOP. m. Smaadwoord, voor wie van hoofdzeer aangetast is.
*VURTEN. ww. Rotten : al dat brandt en vurt niet.
VURTERIK. m. Die aangetast is van syphilis :
(1718) hij heeft gheseijt dat Martel was eenen vorterik. Crim. proc.
*VURTIGHEID. v. Rotheid :
(1661) dat den sijde muur van hem Grenier, door vurtheijt, ende auderdom, hem van boven is beghevende. Pol. boeck, 2, 3a.
*VURTZAK. z rotzak.
VUST I. Nok van een huis.
VUST II. m. Vorst, koud vriezend weder; men spreekt van een geweldin - 48 gen, aanhoudenden, harden, langdurigen, groten, nijdigen —.
VUSTEPANNE. v. Kruinpan
*VUSTEWAFEL.
om eenen pot met vustewafels te zetten zijn er splenters noodig.
*VUTSEL. (ver.).
(1563) Vaghen met een vutsel oft douc : torcher. Dutour. Bestaat nog in voetvutsel. z luier.
Uit map met Illustraties van Gilbert Van Geert uit de 2e en derde druk van het Gents Woordenboek (1974) Beperkte oplage, Verz. E. Levis
Gilbert Van Geert, °Gent 1930 ✝ Gent 1990
met waakzaam vertrouwen
gulhartig
wist hij in iedere oogopslag
met elke potloodstreep
de ernst van mens en leven
tot het laatste afscheid
blijmoedig te verschalken
Louis Lievevrouw op 25 november 1951 herdacht
(3/4/1882 - 8/10/1951)
Fragment van een voordracht gehouden door Fr. De Coster voor de Oostvlaamse Folkloristen in het Stadsarchief
Schooltijd
De Bond der Oostvlaamse Folkloristen verloor op 8 oktober (1951) in Lodewijk Lievevrouw een zijner trouwste en eminente leden, zijn ouderdomsdeken; ik verloor een verkleefde vriend, een vriend van voor vele, vele jaren. Immers L. L. was mijn schoolmakker op de banken van de hoogste klasse van de gemeenteschool Sassepoortstraat (nu Bevelandstraat aan de Voormuide) , bestuurd door Jacob Wiemer.
Het kan enigszins zonderling schijnen dat ik, een vijftal jaren jonger, bij dezelfde onderwijzer, J. Van Renterghem, kon zitten. Zulks ligt aan de schoolinrichting van die tijd; 't is meteen een brokje lokale geschiedenis.
In de Gentse stadsscholen bestonden alsdan, in de jaren 1870-'80, geen studiejaren zoals nu, wel klassen. Stadsschool Sassepoortstraat telde er elf; het overgaan naar een hogere klasse, het 'opschuiven' gebeurde elk half jaar. De beste leerlingen mochten zelfs een klas overspringen, zoals men dat noemde, wat voor gevolg had, dat, op zesjarige leeftijd ingeschreven, zij omstreeks het jaar van de eerste communie, op het elfde jaar, in de hoogste klasse terecht kwamen; aldus leerde ik L. L. kennen.
Daar werden de leerlingen verscheidene jaren vastgehouden, omdat er voor de volkskinderen geen uitweg was naar andere onderwijsgestichten bij gebrek aan middelen om 't schoolgeld te betalen, tenzij men van een studiebeurs kon genieten.
't Verblijf van drie, vier jaar in een zelfde klasse was zeker wel een groot nadeel voor de ontwikkeling der leerlingen ? zult ge vragen. Ongetwijfeld, maar toch niet helemaal.
Inderdaad. een flinke leerkracht, zoals J. Van Renterghem was, schikte zijn leerstof derwijze dat de oudsten, de meest gevorderden, niet verwaarloosd werden; voor een andere kant waren zij een prikkel voor de jongeren, die met zekere eerbied naar hen opzagen, maar terzelfdertijd hadden zij het onschatbaar voordeel de hoofd- en andere vakken te beoefenen, degelijk in te werken: lezen, voordragen, opstellen, rekenen, tekenen, Frans, schoonschrift, thans op de achtergrond geschoven, genoot buitengewone zorg; L.L. en anderen dankten daaraan hun "schone" pen.
Met volle zekerheid zou ik niet kunnen zeggen of L. L. , als eerste in de reeks van uitmuntendheid er de medaille bekwam, maar in mijn herinnering zie ik een jongeling met, om de hals een blauw lint, waaraan het eremetaal hing; die jongeling was Lievevrouw.
Lodewijk Lievevrouw ging over naar 't Gents Atheneum. Op twintigjarige leeftijd, in
Voormalig Atheneum op de Ottogracht te Gent
1882, werd hij bediende ten stadhuize, hetgeen hem, na de bureeluren, toeliet zich aan eigen liefhebberij over te leveren.
Toneel
Van jongs af voelde hij zich aangetrokken tot het toneel. Dichter Karel Vande Woestyne schreef over hem in 1899: "Bij uitstek een toneelmens, want al begon hij, gelijk ieder jong schrijver met gedichten te maken, (een zelfs "Orpheus Hellevaart" werd in de staatsprijskamp, gezegd "Prijs van Rome", als cantate bekroond (toonkunst), toch speelde hij al heel vroeg mee in de toneelafdeling van het Laurentgenootschap "De Vrijheidsliefde",
Voormalig gebouw van "De Vrijheidsliefde" op de hoek van de Gasmeterlaan en de Spaarstraat, aan de Nieuwe Vaart te Gent
stichtte met enkele vrienden, als leerling van het Gentse Atheneum, het "Ledeganck genootschap", dat Vlaamse voorstellingen gaf, en liet een paar jaar later (1888), zijn eerste comedie "De Gouvernante" opvoeren, niet zonder bijval.
Dit succes zette hem aan ernstig in- en uitheemse toneelletterkunde te studeren, waaraan hij dan ook enkele jaren besteedde, zonder daarom zelf het toneel te verlaten, want gedurende diezelfde jaren was hij toneelleider in het Van Crombrugghe-Genootschap" waar hij vooral onze Vlaamse schrijvers liet opvoeren". Tot daar Karel Vande Woestyne.
We zien ook L. L. als lid van het letterkundig genootschap "Zetternamkring", waar hij zijn opera in één bedrijf: "Rollo" voorlas. Léon Rinskopf schreef er muziek op, of liever, beloofde het, want 't werk werd niet opgevoerd...
Hij was verscheidene jaren toneelrecensent voor de Nederlandse Schouwburg in het dagblad "De Stad Gent" en in het "Journal de Gand", waar ik later zijn plaats overnam.
Aangaande "De Stad Gent", deze anecdote, wel waard te worden verteld:op de benefietavond van een actrice was de gewone zetel van Lievevrouw verkocht ; 't Was nog in de Minardschouwburg en bij gelegenheid van hun benefiet zorgden de artiesten zelf voor de kaartenverkoop. Geen middel om hem een ordentelijk plaatsken te vinden.
's Zaterdags, de gewone dag voor het schouwburgverslag, verscheen "De Stad Gent" met een witte, onbedrukte vlek van ongeveer dertig regels in de kolom. Onderaan de nota dat de beneficiante niet meer mocht verwachten van een verslaggever, wien het onmogelijk werd gemaakt de vertoning bij te wonen...
De liefde voor het toneel zette hem dus aan zelf aan dramatische letterkunde te doen en, in waarheid, is de voortbrengst eer belangrijk te bestempelen.
Zijn werken zijn zo wat overal gedrukt, overal verspreid en toen ik hem in de laatste tijd vroeg of hij geen volledige lijst bezat, kon hij voorlopig er niet op antwoorden. Gelukkig bezat onze voorzitter, dhr. Van Es, wél zo'n lijst, toch nog onvolledig, want L. L. spreekt zelf over een vijfendertigtal toneelstukken, waarvan enkele tot de staatspremie werden toegelaten.
Volledigheidshalve wil ik ze hier vermelden met het jaar van uitgave:
De Gouvernante, komedie, 1 bedr. - 1888
Jalouzie, drama, 4 bedr. - 1891
Roodkapje, blijspel, 1 bedr. - 1893
Bloedvijanden, drama, 4 bedr. - 1895
Meisjesgrillen, blijspel, 1 bedr. - 1896
De Gasthuisnon, drama in verzen, 1 bedr. - 1897 (Waaruit nadien Broeder Jacob, dramatische schets, 1 bedr. werd getrokken)
Het Huis in de Peperstraat, blijspel, 1 bedr. - 1898
De Ware Schuldigen, komedie, 5 bedr. 1898
De Witte Kaproenen, lyrisch drama, 5 bedr. - 1899
De Verliefde keukenmeid, blijspel, 3 bedr. - 1900
Clodwig en Clothildis, lyrisch drama, 5 bedr. - 1901
Blonde Marie, drama, 3 bedr. - 1901
De Gedachtenlezer, blijspel, 4 bedr. - 1901 (Met P. Anri)
't Gevloekt Hof, drama, 3 bedr. - 1902
Het testament van Jan Splinter, blijspel, 3 bedr. - 1904
Een Valsch Bericht, blijspel, 1 bedr. - 1905
Huis van Vertrouwen, blijspel, 3 bedr. 1907
Smokkelaarsvolk, drama, 3 bedr. - 1910
Oe èwer oe zotter, blijspel in Gentsche tongval, 1 bedr. 1912 (afbeelding)
O, die zoete Meiskens!, lustig zangspel, 3 bedr. - 1915 Door Marnix en Walter, muziek van Wienowsky, altijd onder deknaam, opgevoerd in de Nederlandse Schouwburg. De deknaam verbergt L. Lievevrouw, Pol Anri en Oscar Roels)
Pierrot en zijn vrouw, gebarenspel, 1 bedr. - 1922
De Dode bruid, drama, 3 bedr. - 1927
Mie de Gendarm, klucht, 1 bedr. - 1928
Het Suikerbolleke, Gents blijspel - 1940
Het Offer, komedie, 1 bedr. - 1940, werd vertaald en bewerkt voor het Nederlands Toneel Gent
De Keldermeester, operette, 3 bedr.
De Vogelhandelaar, operette, 3 bedr.
Surcouf, operette, 3 bedr.
In handschrift:
Beroerde Tijden (1581), drama, 5 bedr. - 1920
De Strandloper, zedenschets, 1 bedr.
Een Mirakel, minnespel, 1 bedr.
Op een Boerenbruiloft, Brueghelspel, 1 bedr.
De Vlaamsche Minnezanger, zangspel, 2 bedr.
De Betooverde Molen, zangspel, 1 bedrijf
Onze lieve Kinderen, blijspel, 4 bedr. (met Pol Anri, nooit opgevoerd)
Léon Rinskopf
Het stuk speelt zich af in 't park van de Nieuwe Wandelinge omstreeks 1820. Spelers zijn: Pier Crommelijnk, velploter, Gustaaf Speelman, rentenier, Clara Wittebrood, burgersdochter, Sies mestiek, klakpotter, Fieleke, schotelwasterigge, De Rijke, koetsier, De Stekkere, garde-ville (agent) en François, nen binneknecht.
Verz. E. Levis
Uit de opsomming der titels blijkt welke grote verscheidenheid van opvatting de toneelwerken van L. L. aanbieden. In schouwburgen en liefhebberskringen werden zij zeer gegeerd voor de gemoedelijkheid, rake karaktertekening, diepe menselijkheid en veelal bleef de bijval niet uitgesloten.
De Witte Kaproenen, samen met Gustaaf Dhondt geschreven (zie http://www.literair.gent.be/html/lexiconprint.asp?ID=5&AID=1748 ), met muziek van Oscar Roels, voor de inwijding van de nieuwe Nederlandse Schouwburg te Gent in 1899, beleefde, in de loop van het seizoen, 24 opvoeringen; Clodwig en Clothildis, twee jaar nadien, mocht zich in 16 voorstellingen verheugen.
Elkeen zal moeten bekennen dat L. L. in de dramatische letterkunde een vooraanstande plaats inneemt en hij om zijn vruchtbaar talent waard is gehuldigd te worden.
Volkskundige
Maar er is ook nog het gebied van de folklore en daar is zijn werk niet minder uitgebreid; 't is dan ook een dure plicht, hier in dit gebouw, de zetel der Oostvlaamse Folkloristen, er volle aandacht aan te wijden.
Reeds zeer vroeg bestond bij L. L. de zucht om het volksleven te bestuderen, het verleden van zijn vaderstad uit te vorsen, hetgeen vaak zijn schreden leidde naar Staatsbibliotheek en Stadsarchief. De opzoekingen leverden een rijke oogst documenten, waaraan hij putten kon voor zijn toneelwerken, waarin hij stof vond voor artikelen in tijdschriften, o.a. in ons orgaan, alsmede voor talrijke voordrachten, waarvan wij dikwijls konden genieten. Hij behandelde hier de oude Gentse Volksspelen en Vermaken (Kermis-, Water-, herberg- en Waagspelen), drink- en Gildevermaken, enen laatst, nog op 7 augustus 1949, "Zedenbederf in het oude Gent"
Enkele van zijn gebundelde publikaties. Verz. E. Levis
Ziehier enige folkloristische onderwerpen, door hem zelf aangestipt:
1937, Boer, boer, houtenen (hijtenen) bak (kaartspel)
1938, Zeven springspelen voor jongens
1939, Een paar Gentse gezegden, nader omschreven
1940, De reuzen van Gent en het Heilig Bloedkapelleke
1940, Speculatie
1941, Scherp Examen
1942, Dertienavond
1942, Folkloristische Sprokkelingen I.Oude Gentsche Typen. Osschaert (afbeelding)
1942, Folkloristische Sprokkelingen II.Het Straatlied. Lobbeke en Seuzeke. (afbeelding)
1943, Oude Banketten en Maaltijden in het Gentse, het Oudenburgsche en St.-Pieters
1943, Gentsche Volkszangers en dichters (Straatzangers)
1943, Gentsche Volkszangers en dichters (Herbergzangers)
1943, 59 Gentsche Pierlalaliedjes
1943, 60 Oude Gentsche Volksliedjes
Andere handschriften zijn nog:
- Spelen mijner Jeugd (afbeelding), waarnaar zijn Gents Woordenboek zo dikwijls naar verwijst.
- Oude Gentse Volkszangers en Volksdichters
- Gentsche Straatroepen.'k Bedrieg mij niet uit de mond van L. L. te hebben vernomen, dat Oscar Roels ze muzikaal noteerde. Waar is dat gebleven?
- Het Suikerbolleke
Wat voorafgaat wijst weeral op het uitgebreid werkterrein van L. L.
Bedeeld met een buitengewoon geheugen, dat niet faalde tot op 't laatst van zijn leven, kon hij verdwenen toestanden van zijn stad doen herleven, op schilderachtige wijze ze commentariëren, hun juiste plaats aanwijzen in tijd en ruimte. 't Was steeds een waar genot hem te lezen, hem te beluisteren, zo waarheidsvol klonk zijn betoog.
Over Louis Lievevrouw zelf...
Zijn beeltenis die hier voor u ophangt, geschilderd portret door de Gentse kunstenaar Van de Veegaete, toont ons de knappe man, zoals we hem lange jaren hebben gekend, met de pince-nez en het karakteristieke breed, zwart lint, gelijk het ook gedragen werd door de toonkunstenaar Hendrik Waelput, Louis De Vrieze, Karel Lybaert en anderen. De pince-nez werd vervangen door een veel praktischer bril.
Zacht en vriendelijk van natuur, steeds tot dienst bereid voor al wie bij hem aanlandde voor een of andere inlichting, was hij een sympathieke figuur in onze stad. Tot in zijn laatste dagen, laat mij zeggen, tot aijn laatste uren, bleef hij flink op de been. Zijn geregeld leven bevorderde een flinke gezondheid, (bij het middagmaal dronk hij een scheut pastoorswijn) uiterst kostbaar voor iemand die zo'n werkkracht aan de dag legde, die, sedert hij als gepensioneerde bureeloverste bij de centrale administratie (het stadhuis) zo gezegd met rust ging in 1924, nooit aan rust heeft gedacht.
Vroeg uit de veren, elke dag, trok hij er reeds op uit naar buiten, in elk jaargetijde, dikwijls als de gaslantaarnen nog brandden; de regelmatige morgenbaden in de zwemkom van het Strop hield hij aan tot laat op het seizoen en steeds was hij voor het aanvangsuur op zijn bureel. L. L. was de man van de stiptheid. Zulks heeft men in zijn huiskring naar waarde geschat, en na zijn dood wilde zijn echtgenote er aan herinneren.
Wie het goed wisten dat waren de bestuursleden van de Gentse Toneelschool.. Als op een zondagvoormiddagvergadering het middaguur naderde, was Louis moeilijk te houden. We zeiden: "Zijn soep is uitgeschept".
Op het stadhuis had hij verkregen 's middags wat vroeger te mogen eindigen (de burelen werkten destijds tot 12:30 uur)altijd omwille van de geregelde gang in huis. Zulks berokkende geen vermindering van de te presteren uren.
Fris en opgewekt was hij, zonder eigenlijke rimpels in 't gelaat, wat hem een jeugdig voorkomen gaf en hem gerust een grote tien jaar kon laten "zeuren".
Louis was ook een ordevol man, hetgeen, voor iemand die de weg moet vinden in een berg papieren boeken, een onontbeerlijk en een onschatbaar voordeel daarstelt.
Hij was de verdraagzaamheid en eenvoud zelf. Op lofbetuigingen, openbare hulde was hij niet gesteld; hij werkte voor eigen genot, eigen voldoening. Zo herinner ik mij dat zekere keer de toneelschool er op bedacht was hem te vieren op een feestvergadering. Als 't ogenblik van de plechtigheid gekomen was, had men Louis goed te zoeken: hij was "schuif", om een Gentse uitdrukking te bezigen...
Wat al truukjes, bij een andere gelegenheid, moesten aangewend worden om een geschenk bij hem als 't ware binnen te smokkelen, weten degenen van de toneelschool-bestuursleden, die er aan meededen. Op een tafel* hier in de leeszaal bevinden zich o.a. de eervolle onderscheidingen hem toegekend.'k Vermeen niet dat hij er veel gedragen heeft.
* De dag van de voordracht werd op een tafel een en ander neergelegd dat aan L. L. had toebehoord. Daar vond men, buiten zijn onderscheidingen twee van de reeds verschenen afleveringen van het Gents Woordenboek, een paar pakjes fiches daarvan, enkele handschriften, enkele van zijn uitgegeven en ingebonden toneelstukken, portretten van L. L. en van zijn eerste vrouw Marie Coopman, zijn laatste werk: "Een teerlingspel in Gent" (zie afbeelding), zijn pince-nez en zijn deukhoed.
Aan de bereidwilligheid van zijn neef, dhr. Ingelbrecht, die voor "Nonkel Louis" een oprechte genegenheid toonde, dank ik te kunnen meedelen wat de ontspanningslectuur was van L. L. Hij vond genoegen in 't lezen van werken over ontdekkingsreizen, over 't leven van wilde dieren, over zeden en gebruiken van primitieve volkeren, wat er in zekere mate op wijst, dat het verleden hem beheerstte.
Zijn pseudoniem
Op de vele uitgaven van Lodewijk Lievevrouw is de naam van de auteur vermeld als Lievevrouw-Coopman. Lodewijk Lievevrouw trad in de echt met een onderwijzeres, Marie Coopman. Het toeval speelde hier van zijn zonderlinge kuren: hij Lievevrouw, zij Coopman. Lievevrouw was een uitstekende man, Coopman een uitstekende vrouw.
Als onderwijzeres, later als bestuurster aan onze gemeentescholen, deed zij zich gelden; zelf kinderloos was zij een ware moeder voor haar leerlingen. Haar letterkundige werken (zie hieronder), haar voordrachten, beoogden steeds de opvoeding.
Lodewijk Lievevrouw-Coopman,
auteur Gents Woordenboek
1862 - 2012
150 JAAR !
Wij brochten hem thupe mee d' echte Genteneers
hulde op moandag den 2en april 2012
Lodewijk Lievevrouw-Coopman, schrijversnaam van Louis Lievevrouw zoe tons 150 joar geworde zijn. Doarom goat de Gentsche Sosseteit hem mee terugwirkende kracht, postuum op zijne verjaardag plechtig aanstellen als pion van de Gentsche Sosseteit. De plechtigheid wordt g' hèwe op de
Westerbegroafploatse , Kirkhofdreve Poalingshuize
Thupekomste thalverelve (10:30 ure) in 't afscheidsgebèw rechts van de gruuten entrée (zie pijl)
Aanvang plechtigheid koart van den elve (10:45 uur)
Ter woaren iest een poar spietsen. O.a. van Luc Lekens. d ' Inhuldegijnge van 't plaket gebeurde deur de prezedent en ons lid Schepene van Burgerlijke stand, Catharina Segers, aan 't graf zelve. Doarachter dronke me nen dreupel op Louis zijn gezondheid om 't heuglijk feit te viere. De Sosseteit brocht hulde aan de man die zijn moedertoale 62 joar leen vastegeleid hee in zijne Gentschen diksjoneer.
Wij stichtten alhier samen met dr. Schuyten uit Antwerpen, het Pedagigisch Gezelschap onder leiding van prof Julius Mac Leod en hielden onze vergaderingen in het Botanisch Instituut aan het Citadelpark (Plantentuin); in de schoot van de "Onderwijzerskring" besteedde zij haar krachten aan het tot stand brengen van de eerste vakantiekolonie, op 't laatste ogenblik overgenomen door het gemeentebestuur. Zij overleed betrekkelijk vroeg, op 58-jarige leeftijd in maart 1616.
In tweede huwelijk verbond Lievevrouw zich met Mathilde De Cavel, een doorbrave, dienstvaardige vrouw, die hem ondanks haar hoge ouderdom - zij telt ook 88 jaar - met de meest toegewijde zorg omringde.
Levensschets
De levensschets van L. L. zou zeer onvolledig mogen genoemd worden, zo ik geen bijzondere aandacht verleende aan twee gans voorname feiten. L. L. is secretaris geweest van de schouwburgbestuurder Honoré Wannyn. Het trof hem dat slechts een klein aantal Vlaamse kunstenaars aan de schouwburg waren verbonden en in Gent, Antwerpen en Brussel hun toevlucht moest genomen worden tot het aanwerven van Hollandse toneelspelers.
Die vaststelling deed in 't brein van L. L. de gedachte rijpen van de noodzakelijkheid ener toneelschool, om die leemte aan te vullen. Dr. Oscar De Gruyter (afbeelding) had hier te Gent ene toneelvereniging gevormd, die een reeks klassieke voorstellingen gaf: De Vlaamse Vereniging voor Tooneel- en Voordrachtkunst.
Prof. Julius Mac Leod 1857-1919 botanicus, dir. Plantentuin Rijksuniversiteit Gent
Jan Oscar De Gruyter 1885 - 1929
Vlaams theatermaker
De Gruyter beloofde belangloze medewerking aan het voorstel van Lievevrouw. Een vereniging "De Maatschappij tot aanmoediging van de Vlaamse Toneelkunst" kwam tot stand om een toneelschool te stichten. Er was, als in zovele gevallen, gebrek aan geldmiddellen.
Toch, op 1 oktober1911 werd de toneelschool geopend met L. Lievevrouw als secretaris-beheerder en dr. Oscar De Gruyter als kunstleider, in een schoollokaal, door de stad afgestaan.
Bij de twee vaders schaarden zich even belangloze medewerkers: Luce Van De Putte, Pol Anri (afbeelding), Arie Van den Heuvel, Oscar Roels, Van Sande; er werd een leerprogramma uitgewerkt, dat nu nog als model kan dienen en de Toneelschool tot een Hoger Kunstinstituut heeft opgevoerd.
Het leraarkorps moest wel belangloos zijn, want de toneelschool was arm en werd van hogerhand onvoldoende gesteund in verhouding met de gepresteerde diensten.
Louis bleef gedurende 25 jaar secretaris van de Maatschappij tot Aanmoediging van de Vlaamse Toneelkunst en 31 jaar beheerder-bibliothecaris van de Toneelschool, ook belast met de lessen in mythologie en versleer. Al heel vroeg - zeer jammer - was dr. De Gruyter opgeroepen voor de oorlog van 1914-18, voor de toneelwereld verloren.
De ijvervolle beheerder bleef een echte vader voor zijn kind; wat hij ervoor deed is door weinigen gekend. Ter wille van bezuiniging belastte hij zich voor de zondagleergangen, 's morgens vroeg, 't vuur van de kachels aan te steken, opdat de leerlingen een verwaremd lokaal zouden vinden. Zulks uit pure opoffering. Ja, wij, de bestuursleden, vonden soms dat Louis te veel beuzeken-toe was, maar hij wist wat hij voorhad: de twee eindjes aaneen knopen. Echter voor zichzelf was hij geen beurzeken-toe; menigmaal wist hij geldelijk te steunen.
Slechts als hardhorigheid hem 't leiden en bijwonen van de vergaderingen erg bemoeilijkte, zag hij van 't beheerderschap noodgedwongen af. Maar tot op 't eind van zijn leven gaf hij tastbare bewijzen van zijn verknochtheid aan de Toneelschool, thans "Koninklijk" geworden, en die daar staat als een treffend bewijs, als een monument van taaie volharding.
Als de Toneelschool een parel is aan de kroon van Lievevrouw, moet daaraan toegevoegd worden dat, onder zijn onvermoeibare drang naar volksontwikkeling, de Volksmuziekschool tot stand kwam, die, na 4 jaar bestaan, onder de druk van de commissie van de Koninklijke Muziekschool moest verdwijnen...
De amateur-lexicograaf
Het kan tenslotte niet anders of nu moeten wij ook nog een woord zeggen over zijn levenswerk, de verzameling van de Gentse woorden, gezegden, uitdrukkingen, spreuken, en spreekwoorden, een reuzeverzameling van meer dan 60.000 fiches. Daaraan - een unicum - besteedde hij, dag aan dag, een groot deel van zijn leven, om dit monument van de ongekunstelde uiting van het Gentse volksgemoed, de volksmentaliteit en het volksleven, dit is de pittigste, sprankelende, soms ruwe, brutale, ja ook onzedige Gentse gewestspraak, bestendig verder uit te bouwen. Maar folklore moet over het gemene heenstappen en enkel naar echtheid, naar waarheid streven.
Men moet die bundels steekkaarten, op verscheidene schappen geplaatst, in alfabetische volgorde gerangschikt, gezien en ook wel eens ingekeken hebben, om zich een denkbeeld te vormen van het reuzenwerk. Daarvoor waren geduldige opzoekingen nodig, bezoeken, raadplegingen, om het zo volledig mogelijk te maken. Toen de Vlaamse Akademie een vraag uitschreef: "Men vraagt een Gentsch Idioticon", zond L. L. zijn werk in. Het werd in 1911 met goud bekroond. Een overwinning, een erkenninhg van de degelijkheid van de moeizaam voltrokken arbeid, waarop een andere, een morele, mocht verwacht worden, hoog van waarde voor een auteur: het uitgeven in druk.
Helaas! Dan begon voor L. L. wat hijzelf een lijdensweg heeft genoemd. Tweemaal moesten die stapels fiches terug bewerkt worden, eerstens om wat in te krimpen, daarna om meer wetenschappelijke behandeling. Velen zouden er het bijltje bij hebben neergelegd, maar de gelatenheid en het geduld van een benedictijner, gepaard aan de koppige, taaie volharding van een Stropdrager , die L. L. altijd hebben gekenmerkt, maakten dat aan de gestelde eisen voldaan werd.
Alles wat "officiëel" en "administratief" moest geregeld worden, loopt niet van een leien dakje, gelukkig nog, als 't niet "doodloopt". Hier was 't niet het geval: De Vlaamse Academie besloot tot het doen drukken van het "Gents Woordenboek", de titel waaronder het werk zou verschijnen. 't Was in 1949. De bekroning dagtekent van 1911! Prof. E. Blanquaert vereerde 't werk met een Woord vooraf en voegde er ook een overzicht aan toe van de Gentse vokalen, tweeklanken en konsonanten om fonetisch de uitspraak van de Gentse taal vast te leggen.
Lievevrouw duidt de bronnen aan die bij de samenstelling ervan dienstig waren: vrienden en kennissen, tal van geschoolde en ongeschoolde werklieden, de personen die op het stadhuis naar het Bureel van de Verkiezingen kwamen, waaraan hij verbonden was, de werklieden hoveniers van de Kruidtuin, enz., en dan nog 13 bladzijden titels van boeken en documenten van de laatste eeuwen uit de bibliotheek der Universiteit en het Stadsarchief.
Het Gents Woordenboek draagt het jaartal 1950. Ga niet denken dat nu het grootste bezwaar achter de rug was, als die beslissing is gevallen; het proeflezen slorpt veel tijd op; het gaat van drukkerij naar de proeflezers en dan terug; hier waren vier proeflezers, wat hoegenaamd niet te veel is: L. L. en de heren Pol Anri en prof. De Keyser, bij wie zich wat later Fr. De Coster (schrijver dezes) heeft gevoegd. Dat wordt een versturen van belang.
Ten gevolge van gezichtsverzwakking mocht L. L. slechts een paar uren lezen of schrijven, een echte marteling voor de onvermoeibare man.
Jammer, erg jammer! L. L. heeft de volledige uitgave van het "Woordenboek" niet mogen beleven: in boekvorm bestaan thans zes afleveringen tot en met de letter M. Doch op dit ogenblik worden reeds de proeven gelezen tot de letter P, want de Vlaamse Academie heeft toelating gegeven tot voortzetten van het drukken en de drie proeflezers hebben zich voor de eindtaak verbonden*.
(*Thans eind april, bestaan reeds acht afleveringen, tot de letter S, wat de uitgave op meer dan 1240 blz. brengt.)
In het park
In de laatste maanden ben ik zeer dikwijls met mijn vriend Louis samen geweest. Gebruik makend van het schoon achterseizoen vonden we elkaar meestal op dezelfde bank van ons prachtig Citadelpark, waarvan hij de schilderachtige delen aanwees met het genot, dat hij op zijn morgenwandelingen maakte. En we koutten zo gezellig over vervlogen tijd. Bezoekers van de hof zullen wellicht gezegd hebben: "Wat zitten die twee daar zo te schreeuwen! "De hardhorigheid van Louis verplichtte ons daartoe. Louis vergat het uur niet. Als 't ongeveer 5:30 uur werd trok hij er uit. 'k Vergezelde hem tot aan de Ledeganckstraat (waar hij woonde op nr 27).
'k Had veelal een lijstje bij mij waarop Gentse woorden of zetten vermeld waren en Louis zou in zijn fiches eens snuisteren met het oog op aanvulling. Want ja, het Gentse dialect is zo rijk, dat er altijd nog iets kan aan toegevoegd worden. Maar als zoiets in 't geheugen komt, moeten oude mensen het onmiddellijk noteren, anders vergaat het in 't niet.
Toevallige ontdekking
Louis, die zeer begrijpelijk door de zenuwachtige beslommering slapeloze nachten doorbracht, had papier en potlood naast zijn bed om; aan te tekenen als een brok Gents hem door het hoofd schoot. Ondanks het trage vorderen van het proeflezen, bemoeilijkt nog door 't verzwakt gezicht, zette L. L. zich in de laatste weken aan 't schrijven van een nieuw boekje: "Een teerlingspel in Gent"
Polydor Anri
1865-1953
onderwijzer
toneelschr.
Had hij daaraan vroeger niet gedacht? Jawel. Maar de zaak zit zo: zijn ouders hielden herberg in 't Nieuwland, "Het Zwart Paard", 't lokaal van teerlingmaatschappij "De Kwade Negen". Het dobbelspel was destijds in grote ere. Dikwijls was Louis aanwezig, speelde al eens mee als vierde man en de eigenaardige gezegden van de spelers troffen hem; hij begon er nota van te nemen, - de opnemer en verzamelaar van Gentse gezegden was dan reeds aandachtig - om ze later "op muziek te stellen". Een aantal fiches werden gevormd, weggelegd, maar zo goed dat ze niet meer te vinden waren.
Toen - 't is Louis die 't mij vertelde - nog niet zo lang geleden hij verplicht werd - zorgvuldige huisvrouwen doen hun rechten gelden - een ganse boel boeken en papieren af te stoffen, viel een boek op de grond; een aantal snippers lagen verspreid.
Louis stelde tot zijn grote verwondering en dito vreugde vast dat het de verdwenen nota's over 't teerlingspel waren, In een Duitse spraakkunst verzeild. Met nieuwe moed werd "Een teerlingspel te Gent" neergeschreven en gedrukt op eigen kosten.
Opzettelijk wil ik hier niet verder over deze uitgave in bijzonderheden treden want onze Bond (van Oostvlaamse Folkloristen) kreeg de exemplaren present om ze te eigen bate aan de man te brengen; ze zijn dus hier te verkrijgen (Dat was in 1952, nu uitverkocht)
't Is een ultiem gebaar van diepe genegenheid van L. L. tegenover de Oostvlaamse Folkloristen. Wie de brochure leest, krijgt de gelegenheid het teerlingspel grondig te leren kennen. De tekst kan ook als klucht opgevoerd worden.
Boven alles heeft men er een pint goed bloed aan te danken; oude Gentenaars voelen zich herleven bij de lezing ervan.
"De genoeglijke kluchte van
Mie de Gendarm"
Hulde
Lodewijk Lievevrouw, gij trots van de Oostvlaamse Folkloristen, gij, wier dramatische toneelwerken u naam hebben verworven, duurbare vriend, uw aandenken zal hier bewaard blijven! Gij waart van die kloeke Arteveldezonen die, altijd opgewekt en onvermoeid, in ouderdom niet schenen te vorderen en niet konden sterven. Als dan, gans onverwacht, het verscheiden zich toch voordoet, slaat de mare van het onherstelbaar verlies met ontsteltenis. Een warme hulde zij u hier gebracht, waar ge zo menigmaal zijt binnengetreden om de folklore van uw geboortestad te verrijken en aldus de volksontwikkeling te bevorderen. Uw geest leeft hier in 't Stadsarchief en de zetel der Oostvlaamse Folkloristen.
Lodewijk Lievevrouw, gij , die als geen de heerlijke spreuk 'PLUK DE DAG' in toepassing bracht, gij die nooit rust hebt gekend, rust nu voor altijd, maar een belangrijke nalatenschap van documentatie, uw standaardwerk, het Gents Woordenboek, dat zal worden afgewerkt, staan er borg voor dat ge niet wordt vergeten!
Fr. De Coster, 25 november 1951
Geboorteakte, ons welwillend ter beschikkijnge gesteld deur Schepen van Burgerlijke Stand Catharina Segers op het galabanket n.a.v. ons 30-joarig bestoan de 29e moarte 2012
Hulde aan L. L.-Coopman
GENT - Het Gents Woordenboek, waarvan de eerste delen verschenen in 1950, wordt gedigitaliseerd en zal daardoor in de toekomst ook bewerkbaar en raadpleegbaar zijn. De auteur van dat fameus Gents Woordenboek, Lodewijk Lievevrouw-Coopman, werd precies vandaag 150 jaar geleden geboren. De Gentsche Sosseteit werkt mee aan de digitalisering van het woordenboek.
Eddy Levis, beter bekend als Prezedent van de Gentsche Sosseteit, onthulde gisterenvoormiddag samen met schepen Catharina Segers op de Westerbegraafplaats een plaket van de ‘pion van de Gentsche Sosseteit' op het graf van Lodewijk Lievevrouw-Coopman. De man werd 150 jaar geleden op 3 april geboren en werkte zowat zijn hele leven lang aan een Gents Woordenboek in 12 delen. Een prestatie die het volgens de Gentsche Sosseteit, de vereniging die zich bezighoudt met de promotie en het in stand houden van het Gents dialect, waard is om in de verf gezet te worden.
Stadsbediende
Louis Lievevrouw, want zo heet de man in werkelijkheid, begon al als twintiger, toen hij als stadsbediende kennismaakte met het stadsarchief, met het noteren van typische Gentsche woorden. Lodewijk Lievevrouw -Coopman (hij voegde de naam van zijn eerste vrouw toe aan zijn eigen naam) had belangstelling voor taal, want hij was ook auteur van toneelstukken en won zelfs een wedstrijd voor toneelschrijvers, naar aanleiding van de opening van de schouwburg op het Sint-Baafsplein.
De man wou met zijn Gents Woordenboek in 1924 meedoen aan een wedstrijd van de Koninklijke Akademie voor Nederlandse Taal en Letterkunde in Gent, maar hij vond dat hij tegen de inleverdatum met de 3.000 steekkaarten die hij toen had, nog geen tiende van zijn werk gedaan had en hij wou geen half werk inleveren. Uiteindelijk leverde hij zijn werk pas in 1949 in, en verscheen het eerste deeltje (met de letters A en B) in 1950. Toen Lievevrouw-Coopman op 8 oktober 1951 op 89-jarige leeftijd aan een hartcrisis bezweek, waren er nog maar 7 van de 12 afleveringen gedrukt.
Freek Neirynck, auteur van het recent verschenen Gents Zakwoordenboek, kent het werk. Neirynck: ‘Het is een basiswerk, een standaardwerk. Spijtig dat er van het origineel nog nauwelijks exemplaren te vinden zijn. En als je er al een vindt, betaal je daar veel geld voor. Er kwamen later wel herdrukken in drie delen, in plaats van in twaalf delen.'
Kopiëren
Voorzitter Eddy Levis: ‘Het werk van Lievevrouw wordt nu gedigitaliseerd. En niet zomaar in PDF, maar op een zodanige manier dat het bewerkbaar en raadpleegbaar zal zijn. De Sosseteit heeft haar medewerking toegezegd aan de universiteit voor die bewerking. Op die manier wordt dat een basiswerk van onschatbare waarde, omdat het niet alleen voor veel meer mensen toegankelijk zal zijn, maar je zal er ook fragmenten kunnen uit kopiëren.'
150 jaar Gentschen diksjoneer. AVS 02-04-2012
Het is vandaag precies 150 jaar geleden dat Lodewijk Lievevrouw Coopman in Gent geboren werd. Onder het pseudoniem Louis Lievevrouw schreef hij zo’n 25 toneelstukken. Misschien zegt die naam U niets maar Lodewijk Lievevrouw Coopman was een fervent verdediger van het Gents dialect. Het was ook hij die de eerste “Gentschen diksjoneer” samenstelde. Reden genoeg vond de Gentsche Sosseteit om de man vandaag te eren. Bekijk de uitzending op http://www.avs.be/maandag.html#30762
Catharina Segers en de prezedent huldigen 't nieuw plaket op 't graf in.
foto's © Maîtrise
Schepen veur Burgerzaken Catharina Segers: Gent geeft begraafplaatsen bijkomende functie. 03-04-2012
De stad Gent wil haar begraafplaatsen de functie geven van openbare park. Gent wil hierin een voortrekker zijn. Nu meer en meer mensen kiezen voor crematie en oude graven massaal verdwijnen omdat de consessie verlopen is, komt er op de begraafplaatsen ruimte vrij. En die vrijgekomen ruimte wil Gent inrichten als een soort park waar mensen kunnen genieten van de rust en het groen
Overhandiging geboorteakte L. L.-Coopman aan de prezedent door schepen Burgerlijke Stand Catharina Segers
Bedankingsrief, drie maanden voor zijn dood (✝8/10/1951) geschreven, aan de schepen, aan wie L. L. Coopman het eerste deeltje van zijn Gents Woordenboek schenkt.
Gent 3 juli 1951, origineel exemplaar, verz. E. Levis
Diene saait hier es gelijk euwe gîest:
intressant, oast hij open es...
Zijn laatste dagen...
Alhoewel de levensschets van L. L. reeds lang is geworden, maar eigenlijk kan het niet anders voor zo'n oud en werkzaam man, toch wil ik u oorlof vragen er nog een en ander aan toe te voegen aangaande zijn laatste dagen en uren.
'k Had verscheidene dagen geen drukproeven meer ontvangen, - Louis bracht ze meestal zelf, 's morgens vroeg - en 'k ging de zaterdag 22 september eens zien. Louis lag te bed, hij voelde zich vermoeid. 's Maandags was hij weer beter en we konden een verbeterde drukproef bespreken. Rust was uitgesloten. Hij ging zelf een pak drukproeven naar drukkerij Erasmus te Ledeberg dragen en werkte een beetje in zijn hof; 't was prachtig weer. De zaterdag, 29 september, werd ik aangesproken door mevr. Ingelbrecht: Louis had 's nachts een geweldige hartcrisis gekregen; de tussenkomst van de geroepen geneesheer had de pijn kunnen stillen; een strenge rust werd bevolen, wat Louis erg tegenstond; 's namiddags was ik weer in de Ledeganckstraat.
In de daaropvolgende week was Louis erg verzwakt. De dinsdag en donderdag weer bezoek, die donderdag had hij toelating van de dokter gekregen een half uurken in zijn zetel te zitten; we praatten nog; zijn aanwezige kozijn verwittigde nonkel Louis dat de rusttijd verstreken was. Ik zei: "Alla, weer in uwe vlobak". Bij zieken moet men niet treurig zijn en 't was overigens in 't kader van het Gentse Idioticon. Louis voegde er bij: "Of in mijne citroenbak". Zeer hartelijk afscheid...
's Vrijdags, toen Pol Anri en ik samen waren gekomen, lag Louis buiten kennis in zijn bed: zachte ademhaling, gapende mond, gesloten ogen met een spleetje opening.
Wij namen schikkingen aangaande 't Gents Woordenboek en werden bijgestaan door de vriendelijke heer Ingelbrecht. 's Anderendaags waren wij er weer. Zelfde toestand van Louis. De maandagnamiddag vond ik het rolluik neergehaald: het overlijden was geschied. Lodewijk Lievevrouw was te 2:30 uur zacht ontslapen, kalm heengegaan voor altijd.
Op 9 oktober - mijn verjaardag, om 't niet te vergeten - ging ik voor de laatste maal de goede vriend een groet brengen. De dood had nog zijn sereen gelaat niet gekrenkt.
De begrafenis op 11 oktober, had in alle eenvoud plaats; er waren enkel dhr. Ingelbrecht, en zijn beide zoons, zijn schoonbroer Emiel De Cavel, een paar kennissen, Dolf Herckenrath, Luce Van De Putte, Mevr. wwe. Oscar De Gruyter en drie proeflezers aanwezig. Veel bloemen...
Louis moet een voorgevoel hebben gehad van zijn nakend einde. Bij een van mijn jongste bezoeken had hij gezegd: "Ge zult gij 't werk moeten voortzetten." Hij bedoelde de drie proeflezers en 't Gents Woordenboek. Met zijn neef had hij ook uiterste wilsbeschikkingen genomen.
Toen ik na zijn dood door het Citadelpark liep, dan wendden mijn blikken zich naar die bank, waar we zo gezellig hadden gepraat. 't Is of ik de man in 't zwart gekleed, er weer ging vinden...
Yvonne Levis-Maes Werner Ferdinande, Will Ferdy
Mijn moeder, Yvonne Levis-Maes, speelde tijdens WOII, in januari 1943, de rol van Mie de Gendarm van L. L. Coopman, op het feest van de Amicale van de firma Vynckier (bakelietfabriek, thans General Electrics op de Nieuwe Vaart) waar zij gans haar loopbaan werkzaam was als bureauchef steno-dctylografe. Het was een typische variëtéavond (Bonte avond) met muziek, zang en sketches zoals toen de mode was. Het feest ging door in de zaal van de 'Melomanen'
De rolverdeling was als volgt: Mie, bijgenaamd, de Gendarm: Yvonne Levis-Maes; Lappen, zijn vriend: Roger Stevens; Fierlaflonke, dokter: Pierre Coppenolle; de zot: Werner ferdinande, de latere Will Ferdy!
Op het einde zegt dokter Fierlaflonke tegen Mie (mijn moeder):
-"En eer twee jaar zijn verlopen, zult gij nog een kindje kopen." (p. 23, vers7)
Ikzelf werd geboren op vrijdag 13 (!) oktobe 1944, 1 jaar en 9 maanden later... Daar werd nadien nog goed om gelachen.
Eddy Levis
Bloemenhulde 2018
prof. Letteren en Wijsbegeerte Edgard Blanqaert, 1894 - 1964
Bloemenhulde 29 nov 2019
in de aanwezigheid van familielid Isaac Lievevrouw
Foto genomen bij familielid Isaac Lievevrouw thuis, met links Lodewijk Lievevrouw, in het midden mijn grootvader, Julien Lievevrouw en rechts mijn overgrootvader Frans Lievevrouw. Op de achterkant van de foto staat 'Overhandiging van het eerste deel van het Gentse Idioticon.'
LOUIS LIEVEVROUW, ALIAS LODEWIJK LIEVEVROUW - COOPMAN
(1862-1951)
Samenvatting van een lezing door ‘Handsje’ em. prof. dr. Johan Taeldeman
(Handsje van de Gentsche Sosseteit 2004)
Louis François Léopold Lievevrouw is de echte naam van de auteur. Hij was - een beetje paradoxaal voor wat hun familienamen betreft - gehuwd met Maria Coopman. Hij heeft zijn eerste echtgenote lang overleefd en was een tweede maal gehuwd met Mevr. Mathilde De Cavel die hem op haar beurt nog 7 jaar overleefde en overleed op 95-jarige leeftijd in 1958. Dat heeft hem niet belet zijn hele leven het pseudoniem Lodewijk Lievevrouw - Coopman te blijven gebruiken.
Nationaal biografisch woordenboek
In het Nationaal Biografisch woordenboek staat hij heel kort beschreven als toneelschrijver en folklorist, niet direct als taalkundige. Hij was een rasechte geboren en getogen Gentenaar, °1862. De man zou nu 153(!) jaar zijn. Dit alleen maar om het woordenboek in de tijd te situeren. Die man heeft echt het oude Gents van het einde van de 19e eeuw en de eerste helft van de 20 eeuw gekend en gesproken. Hij is op 89-jarige leeftijd in 1951 overleden. Hij was de zoon van kleine middenstanders die het goed deden, zoals men in de volksmond zei. Zijn vader was koetsier en had ook een Café op Nieuwland, de herberg 'Het Zwarte Paard' en hij had er bovendien ook nog een handel in veevoeders. Het mag duidelijk zijn dat hij opgegroeid is in een authentiek Gents milieu waar hij bovendien veel mensen zag binnen- en buitengaan en die hij gevolgd heeft, o.a. ook de leden van de teerlingmaatschappij (pietjesbak) 'De Kwade Negen'. Zo schreef hij daar in zijn laatste levensjaar, 1951, een interessant werkje over, nl. 'Het Teerlingspel te Gent'. Klein Lowietje was een kind van het volk, dat daar in het café regelmatig tussen de klanten zat en alles in zich opnam. Toch kreeg hij een gedegen opvoeding.
Hij is aanvankelijk naar de stadsschool geweest en later naar het Koninklijk Atheneum op de Ottogracht. Middelbare studies waren in die tijd nog niet voor iedereen weggelegd. In 1882 werd hij op 20-jarige leeftijd stadsbediende bij de dienst geschillen en vergunningen. Daar moest hij o.a. opzoeken hoever die rechten en vergunningen in de tijd teruggingen. Zo leerde hij het stadsarchief, toen nog in de Abrahamstraat, kennen. Daaruit is hij allerlei typische woorden uit het Gents gaan optekenen, die later de basis vormden voor zijn Gents woordenboek. Zo kreeg hij reeds heel vroeg een levendige belangstelling voor alles wat met het Gentse volksleven en de volkstaal te maken had. Daarnaast had hij ook een passie voor alles wat met Nederlands toneel te maken had. Vandaar zijn klassificatie als toneelschrijver en folklorist.
Lievevrouw als toneelschrijver-acteur
Reeds op zeer jonge leeftijd was hij lid van een aantal toneelgezelschappen, zoals 'De Vrijheidsliefde'. Ook was hij medestichter en acteur bij het 'Ledeganckgenootschap', opgericht door de oudleerlingenbond van het Atheneum waar hij toen school liep. Hij is jarenlang recensent geweest van de opvoeringen in de Nederlandse Schouwburg, nu N.T. Gent, zowel voor de krant 'De Stad Gent' als voor 'Le Journal de Gand', maar dat is niet alles. Tussen 1888 en 1940, 26 was hij toen, tussen zijn zesentwintigste en zijn eenenzeventigste, schreef hij een dertigtal toneelstukken. Allen gepubliceerd en succesrijk, ook buiten de amateurgezelschappen. Zo werd in 1899 bij de inwijding van de Nederlandse Schouwburg, op het St.-Baafsplein, een stuk van Lievevrouw - Coopman en Gustaaf D’Hondt gespeeld, nl. 'De Witte Kaproenen' met een muziekstuk in van Oscar Roels. Het speelde 24 voorstellingen lang!
Logischerwijze moest hij wel in contact komen met een ander groot Gents toneelvernieuwer, Jan Oscar De Gruyter, die na vijf jaar promoveerde als doctor in de Germaanse, met een proefschrift over het Gents, nl. het onlangs uitgegeven 'Het Gentse dialect. Klank- en Vormleer' uit 1907. (Koninklijke Akademie voor Nederlandse Taal en Letterkunde, ISBN 978-90-72474-75-9, Gent, 2008) Een doctoraat dat voor die tijd zeer vooruitstrevende ideeën over taal en dialect bevatte. Ondanks het grote leeftijdsverschil - De Gruyter was 23 jaar jonger dan Lievevrouw - klikte het tussen beiden. Er was namelijk in die tijd een grote behoefte aan goedgevormde Nederlandstalige acteurs in het Gentse en eigenlijk in heel Vlaanderen. Veel gezelschappen deden al snel een beroep op mensen uit Noord-Nederland omdat die in die tijd hun taal veel vlotter praatten dan Vlamingen want wij kwamen van héél ver, nl. uit een periode dat alleen het Frans de status van cultuurtaal mocht opeisen. De Gruyter en Lievevrouw namen zich voor die leemte op te vullen met de Gentse toneelschool.
Qua staatsfinanciering is de Gentse Toneelschool altijd stiefmoederlijk bedeeld geweest, zoals de overheid vaak een boot mist op dat vlak. In ieder geval bouwden zij de traditie op om toneelmensen behoorlijk in het Nederlands op te leiden. Oscar was voorzitter en Lodewijk bleef er beheerder tot 1942. In 1959 werd de toneelschool opgedoekt om financiële redenen. Zij heeft de eerste veertig jaar van de vorige eeuw zeer veel betekent voor het Vlaamse cultuurleven en volkstoneel. Zij had een emancipatiekracht die haar gelijke niet had in Vlaanderen.
Lodewijk als Folklorist
Lodewijk Lievevrouw was een begaafd (be)schrijver van het Gentse volksleven en de volkstaal. Hij was een uitstekend observator van de dingen om hem heen die hij steeds zeer goed heeft kunnen situeren in hun maatschappelijke kontekst. Zoals reeds gezegd kwam hij via zijn beroep in contact met het stadsarchief. Men kon er hem vaak aantreffen, evenals in de Universiteitsbibliotheek. Het verleden van zijn stad fascineerde hem enorm. Het is trouwens een thema dat vaak terugkomt in zijn toneeelwerken. Mevr. Tavernier (wwe. v. prof. aardrijkskunde Tavernier), die verbonden was aan het Seminarie voor Nederlandse Taalkunde en de inleidende klankleer tot het Gents Woordenboek schreef, heeft samen met prof. Blanckaert Lievevrouw nog gekend. Zij noemde hem - zoals heer Bommel - een heer van stand.
Hij schreef als folklorist een groot aantal artikels in Oostvlaamse Zanten, het tijdschrift van de Koninklijke Bond voor Oostvlaamse Volkskundigen over allerlei thema’s: straatliederen, oude maten en gewichten, bijnamen van wijken en toenmalige Gentenaars, De rijkdom van de Gentsche Tale, Onze Guingetten (lusthoven), enz.Twee van zijn belangrijkste losse folkloristische bijdragen verschenen net als zijn Gents Woordenboek pas in 1951, na zijn dood. Het 12e en laatste deeltje van de eerste uitgave van zijn woordenboek dateert pas uit 1955. In 1951, het jaar van zijn overlijden, verscheen Een teerlingspel te Gent, een werkje van ongveer 40 blz. waarin hij telkens een ploeg van vier personen tegen mekaar laat teerlingen. Dit boekje is zo rijk aan terminologie en uitdrukkingen dat het niet anders kan, dan de jonge Lodewijk moet die reeds als kind in het café van zijn ouders gehoord hebben. Ook geeft hij gehele gesprekken weer die zich rond het dobbelspel ontwikkelden. Hij heeft de publikatie nog net voor zijn dood drukklaar gemaakt. De notities daarvoor waren nl. decennia daarvoor zoek geraakt en vielen bij het afstoffen van zijn bibliotheek uit een boek. Zo kwamen die alsnog te voorschijn.Het tweede boekje dat zeer de moeite waard is heet: “Spelen Mijner Jeugd”. Dat handelt over kinderspelen te Gent en in het Gentse. Vroeger publiceerde hij daar al korte losse stukjes over in Oostvlaamse Zanten. Die werden uiteindelijk samengebracht in een boekje dat pas in 1952, een jaar na zijn dood, verscheen.
Verzamelaar van Gentse woorden en uitdrukkingen
In diezelfde sfeer moeten wij zijn verzamelwoede en verzamellust voor Gentse woorden situeren waaruit dan zijn Gents Woordenboek ontstaan is. In een volksbuurt geboren worden betekent dat je de mensen heel direct dagelijks aan het woord hoort. Voor Louis was dat in zijn jeugd het Gents van de mensen die in 1800 geboren waren.
Drie soorten Gents
In de inleiding van zijn Gents Woordenboek heeft hij het over drie soorten Gents: het gewone Gents (het Burgergents rekent hij daar ook bij) en het Platgents. Aan dit laatste kent hij twee typische kenmerken toe.
Spreke mee een “î”-tse
Ten eerste: het meest typische kenmerk van 100 jaar geleden was, dat de korte u van bvb. ne put, een brugge, een stuk, een mugge, enz. dat die allemaal met een î uitgesproken werden: ne pît, een brîgge, een stîk, een mîgge. Hij situeert dit plat Gents in de buurt van de Nieuwbrîgge, de Nieuwbrug die toen een zeer proletarische wijk was, de Muide van de 19e eeuw, zeg maar. Deze uitspraakvormen zijn vandaag totaal verdwenen. Toen deze î als te plat ervaren werd door de toenmalige burgerij, ging men die uit de taal verwijderen. Soms ging men zo overijverig te werk dat men ze ook verving waar het niet hoefde. Zo werd een pilleke (pilletje) bvb. foutief een pulleke wat men hypercorrectie noemt.
Jan Cleppe
In 1920 schreef de Gentenaar Jan Cleppe (°1860), leeftijdsgenoot van Lievevrouw, een aantal volkse schetsen in het Gentse dialect in het dagblad “Vooruit”, onder de titel: “Gentsche praôt”. In 1933 werden die gebundeld uitgegeven met een voorwoord van de toenmalige prof. Nederlands van de Gents universiteit Vercoulli. Ook daar komen een aantal î-uitspraken voor. Hij moet dat dus opgetekend hebben bij de laatste generatie die nog zo sprak. Zo vinden we daar nen dîts voor duts, ‘’k moe noar Brîgge (Brugge), ongelîk (ongeluk), een kîsse (kussen), enz. Dit kenmerk moet na W.O.II pijlsnel naar beneden gegaan zijn.
OVER HET GENTS WOORDENBOEK
Lezing door dr. Magda De Vos, Universiteit Gent,
Seminarie voor Nederlandse Taalstudie en Dialectologie.
Dialecten zijn niet meer wat ze geweest zijn. Dat is een verzuchting die je vaak hoort, maar die niet typisch is voor onze tijd. Het is altijd zo geweest dat jongere mensen anders gingen spreken dan hun ouders en grootouders en er zijn altijd mensen geweest die dat nooit zozeer konden op prijs stellen en die betreurden dat ze de klok niet terug konden draaien. Maar toch kunnen wij zeggen dat vandaag de verzuchting van “de dialecten zijn niet meer wat ze geweest zijn” toch meer dan ooit rechtvaardiging vindt in de werkelijkheid, want er is vandaag toch iets met onze volkstalen aan de hand wat nieuw is, wat zich in het verleden niet heeft voorgedaan.
Je zou kunnen zeggen met de ontwikkeling van onze dialecten zijn we op een breekpunt beland. Er is een einde gekomen aan een duizendjarige ontwikkeling van mondeling overgeleverde volkstalen, die van generatie op generatie overgingen binnen de beslotenheid van een kleinschalige gemeenschap. Dit is vandaag niet langer het geval. De dialecten gaan meer en meer op mekaar lijken. We kunnen ze vergelijken met een lappendeken, een patchwork van allemaal fel contrasterende kleurige vierkantjes. Een patchwork dat gaat verbleken door het verblindende witte licht van de standaardtaal. Een mooie metafoor waarvoor ik gedeeltelijk schatplichtig ben aan prof. Haegen.
De mensen beseffen dat er iets onomkeerbaars aan het gebeuren is en het is dan ook geen toeval dat juist nu overal in Vlaanderen, Brabant, Limburg en Nederland zoveel mensen aan het werk gaan en van alles over dat verdwijnende dialect gaan optekenen. De laatste decennia zijn er meerdere woordenboeken en boekjes verschenen over het Oostends, het Mechels, het Eeklo’s, het dialect van Waasmunster, Aalst, Haaltert, Ronse, Brugge, Lokeren enz. Maar de Gentenaars kunnen zich toch gelukkig prijzen dat zij al een hele tijd over een uitstekend woordenboek beschikken dat ontstaan is, in een tijd dat het dialect nog voor het rapen lag. Een tijd dat burgers of arbeiders, als zij Nederlands spraken en geen Frans, nog het dialect als voertaal gebruikten. Dat was toen wel even anders dan vandaag, want het dialect verliest terein op alle fronten. Het wordt meer en meer uit alle sectoren van de samenleving verbannen en vervangen door een standaardtaal of een “soort” standaardtaal.
Toen het Gents woordenboek van Lodewijk Lievevrouw - Coopman ontstond was dat natuurlijk niet zo. Als we iets over de waarde van dat boek willen zeggen, moeten we dat toch even situeren in de Vlaamse woordenboektraditie.
Prijskamp
Toen Lievevrouw in 1924 zijn idioticon inzond naar de Koninklijke Akademie voor Nederlandse Taal en Letterkunde met standplaats te Gent als antwoord op een prijsvraag, bestonden er bij ons al heel wat dialectwoordenboeken. Die traditie om dialect op te tekenen en te verzamelen, was in de 19e eeuw van de grond gekomen en dat paste in het tijdsbeeld van toen. Het was nl. de tijd van de romantiek die het nationale verleden herontdekt had en in het kader daarvan grote belangstelling aan de dag legde voor de volkstaal. De eerste woordenboekschrijvers in Vlaanderen en Nederland waren geen taalgeleerden maar eerder amateurs, autodidacten vaak, soms ook wel eens een creatieve kunstenaar. Iemand zoals Guido Gezelle bvb., zeker geen mensen die werkten vanuit een of andere wetenschappelijke bekommernis om de taalwetenschap ten dienste te staan, maar taalarchivaris te zijn. Zij schreven het op, omdat het dialect onophoudelijk veranderde en ze wilden dat bewaren.
Dat is natuurlijk een eerbaar motief en ligt ten grondslag aan elk woordenboek, of het nu wetenschappelijk of amateuristisch, oud of recent is. Bij onze eerste woordenboekschrijvers had je o.a. “Het Algemeen Vlaams Idioticon” van Schuermans(1865-1870), het “Westvlaams Idioticon” van De Bo (1890-’92) en het “Waas Idioticon” van Amaat Joos (1900). De bedoeling van deze idiotica was ook om het Frans enigszins in te dammen, dat toen de overheersende taal in Vlaanderen in het openbaar leven was maar ook tegen het Hollands. Het Algemeen “Beschaafd” Nederlands, de taal van het protestantse noorden, dat zij natuurlijk als katholieke behoeders van de onschuldige Vlaamse volksziel zeer wantrouwden.
Nu was het juist in dat ketterse noorden dat omstreeks het midden van de 19e eeuw het plan was opgevat om het grootste Nederlandse woordenboek aller tijden te maken, nl. het W.N.T., het "Groot Woordenboek der Nederlandse Taal", een gigantische wetenschappelijke onderneming. Het zou worden uitgewerkt door een team van geleerden in Leiden. Men is daar nu, bijna anderhalve eeuw later, mee klaar. Het is een van de grootste woordenboeken ter wereld geworden.
De vooral katholieke geestelijken die aan onze woordenboeken werkten, voorzagen natuurlijk, en niet geheel ten onrechte, dat zo’n reusachtig Nederlands woordenboek wel eens een enorme invloed zou kunnen uitoefenen voor vele decennia. De geschiedenis heeft ze niet helemaal ongelijk gegeven. Zij vreesden nl. dat de Nederlandse redactie de Vlaamse woorden zou veronachtzamen, dat die Vlaamse woorden uit de boot zouden vallen en ze zeiden: Wij gaan woordenboeken schrijven, omdat die mannen daar in Leiden geen excuus zouden hebben om de Vlaamse woorden te veronachtzamen. We gaan proberen onze Vlaamse dialecten zo respectabel mogelijk voor te stellen. Zo droegen de eerste generatie idioticons het stempel van de taalpolitieke bedoelingen van hun auteurs. In tegenstelling met L. L. - Coopman hebben zij bewust alle scabreuze platte woorden, krachttermen en minder “deftige” uitdrukkingen uit hun woordenboeken geweerd, omdat dat niet respectabel genoeg was voor de deftige Hollander en het Leidse redactieteam.
In de tweede plaats - en dat heb ik zelf onderzocht - hebben zij, ook weer in tegenstelling met L. L. Coopman, de vreemde component in onze taal, nl. het Franse leengoed, ondergewaardeerd.
Ten derde hebben zij een voorliefde aan de dag gelegd voor wat in hun tijd al oud was. Hoe ouder, hoe beter, dachten zij. Vandaar dat die eerste generatie een nogal verouderde indruk maakte.
Na deze eerste generatie taalparticularisten, treedt er een nieuwe generatie aan, vertegenwoordigd door twee eminente Oostvlaamse woordenboekschrijvers: hoofdonderwijzer Isidoor Teirlinck (vader van Herman Teirlinck) uit Zegelsem (Brakel) met zijn Zuid-Oostvlaams Idioticon (1924) beloond met 1.200 BEF(!) en Lodewijk Lievevrouw - Coopman (1950-’55). Deze tweede-generatie-auteurs vertonen diverse overeenkomsten. Zij schreven allebei een woordenboek over een betrekkelijk klein dialectgebied en zagen hun werk bekroond door de Koninklijke Akademie voor Nederlandse Taal en Letterkunde. Maar wat het belangrijkste was: beiden waren absoluut wars van klerikaal geïnspireerde aanspraken en taalpolitiek, dit in tegenstelling met hun voorgangers. Zij probeerden dus ook niet de dialectspreker deugdzamer voor te stellen dan hij in werkelijkheid was. We hebben het ten ander gehoord: zij die de minder deftige woorden uit hun woordenboek gooien, krijgen van Lievevrouw zelf in de inleiding van zijn woordenboek een veeg uit de pan. Zij bezondigden zich evenmin aan het feit het dialect Vlaamser en authentieker voor te stellen en respecteerden het Franse leengoed. Daardoor zijn zij vandaag nog zo verrassend actueel.
Alhoewel pas gepubliceerd in 1950, begon Lievevrouw reeds met het verzamelen in 1882-’83 toen hij na zijn atheneumstudies op de dienst “Betwiste zaken” van de stad terechtkwam. Zo kwam hij voorturend bij oude Gentse woorden terecht die hem vertrouwd in de oren klonken, omdat hij ze als kind gehoord had of ze kende uit zijn dagelijkse taal. Zonder specifiek het idee te koesteren een woordenboek te beginnen, schreef hij ze op.
Als je de inleiding leest van zijn “Een Teerlingspel te Gent”, dan moet je besluiten dat Louis al zeer jong met papier en potlood rondliep. Lievevrouw kon met het hand op het hart zeggen dat het grootste deel van wat er in zijn woordenboek stond, opgetekend was in de zeventigerjaren van de 19e eeuw. Dan komen we uit op het Gents van de generatie geboren omstreeks 1830.
Wanneer heeft Lievevrouw nu het idee opgevat zijn notities tot een woordenboek te verwerken? In 1908, zegt hij, schreef de Akademie een prijsvraag uit voor een Gents Idioticon. Het resultaat moest eind 1911 ingeleverd worden. Hij schrijft, inventariseert, vult zijn materiaal aan, maar vindt dat de tijd toch nog niet rijp is om zijn werk in te leveren. Hij had toen 3.000 fiches maar dat was maar 1/10 van wat hij dacht te kunnen verzamelen. Hij dacht zo’n 30.000 gegevens te kunnen verzamelen. In werkelijkheid was dat nog geen 1/20 van wat hij uiteindelijk heeft verzameld. Hij had wel graag antwoord gekregen voor het sluiten van de inleveringsperiode. Hij was dan weer iemand van zo’n grote precisie en zelfrelativering dat hij vond: "Nee, ik lever geen half werk in. Ik doe gewoon voort met mijn verzamelwerk en hoop dat de Akademie de vraag nog een paar jaar open laat staan". Gelukkig is dat gebeurd. Er was geen mens die iets inzond...
Kapers op de kust...
In 1924 kwam daar verandering in. Het kwam Louis ter ore dat er kapers op de kust waren en iemand anders een anwoord ingestuurd had op die prijsvraag. Als hij nu niet reageerde riskeerde hij de 1.200 BEF aan zijn neus te zien voorbijgaan. Niet dat hij dat voor zichzelf wou, maar hij voorzag al de druk van dat woordenboek op dat moment. Wat moest hij doen? Zijn materiaal stond nog altijd op losse blaadjes. Het was een onnoemelijke verzameling met woorden, uitdrukkingen, spreekwoorden, gezegden, rijmpjes, straatliedjes, kortom een zeer diverse verzameling. Hij stuurde in wat hij had...
Daar kwam hij natuurlijk niet mee tegemoet aan de vraag van de Akademie. Die had geen kaartenbak gevraagd maar een woordenboek. De driekoppige beoordelingscommissie die zijn werk moest vergelijken met dat van zijn concurrent, was echter zo onder de indruk, dat ze bij wijze van aanmoediging het werk toch bekroonde. Het bestond toen uit 70.000 losse fiches en vijf volgeschreven schrijfboeken. In het zeer lovend verslag van prof. Goemans (de anderen waren prof. Mansion en prof. Vercoulli) staat, naast het feit dat er heel veel werk ingestoken is en welk respect hij daar allemaal voor heeft:
”De meeste fiches zijn onafgewerkt en dienen aangevuld. Het fonetisch gedeelte moet met zorg nagezien, het geheel nog eens onder handen genomen worden. Want in zijn huidigen vorm mag het handschrift niet gedrukt worden. Doch om den vlijtigen, kolossalen arbeid te lonen, stel ik in overeenkomst met de twee voorgaande verslaggevers voor aan dit werk den prijs te verlenen.”
Lodewijk was uiteraard blij met de bekroning, maar toch vond hij dat de tijd nog niet rijp was om met de eindredactie van zijn woordenboek te beginnen. Ondertussen had hij nieuwe bronnen ontdekt en hij vond dat zijn woordenboek niet in druk kon zonder dat die eerst tot op het bot waren uitgeplozen. Hij heeft daar nog tot 1934 aan gewerkt, tot hij 72 was. Pas dan kon de redactie met het schrijfwerk beginnen. Dit zou nog eens 15 jaar in beslag nemen , tot 1949. Tot twee keer toe diende hij een “eindversie” in en tot twee keer toe dacht men daar -terecht- dat er daar nog aan gesleuteld moest worden.
Verschillende mensen die Lodewijk Lieverouw persoonlijk hebben gekend, hebben getuigd dat de auteur in die periode enigszins verbitterd is geraakt. Hij had te kampen met een snel achteruitgaand gezichtsvermogen, toenemende hardhorigheid. Hij ervaarde ook dat een woordenboek samenstellen een stiel is waar je een opleiding moet voor genoten hebben en toch nog iets anders is dan dialectmateriaal verzamelen. Ondanks al zijn inspanningen was Lodewijk geen specialist en taalkundige. Het moet een enorme klus geweest zijn om dat onnoemelijk pak materiaal, waar hij eigenlijk in verdronk, om te werken tot een woordenboek en dat alleen te moeten doen, zodanig dat hij tegemoetkwam aan de altijd strenger wordende wetenschappelijke eisen van de Akademie. De dialectologie zat op dat moment in een stroomversnelling.
Over de illustrator van het Gents Woordenboek
Gilbert Van Geert werkte ook nog samen met Eddy Levis voor de illustratie van twee kinderkolderboekjes en een boek met Gentse uitdrukkingen